Persoonlijk & professioneel BTW Advies ‌‌ Inloggen klanten

 

Vetrouwensbeginsel

Vertrouwen is goed?

Het Nederlandse belastingrecht in het algemeen en het btw-recht in het bijzonder zijn enorm ingewikkeld. Het is dan ook niet gek dat er regelmatig meningsverschillen zijn tussen de Belastingdienst en belastingplichtigen. Die meningsverschillen kunnen zich op verschillende momenten voordoen. In de praktijk gebeurt het dan ook met enige regelmaat dat de Belastingdienst achteraf terug wil komen op een eerder standpunt. Dat kan komen door gewijzigde jurisprudentie of door een gewijzigd inzicht. In het algemeen wordt dan met de belastingplichtige besproken waarom het standpunt wijzigt en per wanneer die wijziging (als die voor belastingplichtige nadelig is) in zou moeten gaan. Daarbij wordt dan een redelijke termijn in acht genomen, die in overeenstemming is met het gewicht van de wijziging. Zo zal een kleine wijziging met weinig financiële en administratieve gevolgen wellicht binnen drie maanden moeten worden doorgevoerd. Terwijl bij een beslissing met grote financiële en/of administratieve gevolgen, zo’n termijn een stuk langer kan zijn tot wel een jaar aan toe. Dat gaat bijna altijd in goed overleg tussen Belastingdienst en belastingplichtige. Echter, soms gaat dat niet zo makkelijk en stelt de Belastingdienst dat er geen sprake is van het achteraf veranderen van mening, maar dat de Belastingdienst nooit een stelling heeft ingenomen. Als de belastingplichtige echter van mening is dat de Belastingdienst eerder een bepaald standpunt heeft gehuldigd, is de vraag in hoeverre die belastingplichtige zich daarop kan beroepen. Met andere woorden; wanneer is door de Belastingdienst bij belastingplichtige een in rechte te beschermen vertrouwen gewekt? 

Als de Belastingdienst een expliciet standpunt inneemt in een brief of controlerapport (bijvoorbeeld; “product X valt onder het verlaagde btw-tarief”), dan zal er niet veel twijfel bestaan over het vertrouwen dat bij de belastingplichtige is gewekt. Maar soms is zo’n standpuntinname veel minder duidelijk. Zo is het aanmelden (meestal via inschrijving bij de Kamer van Koophandel) van een nieuw opgerichte rechtspersoon en de beslissing van de Belastingdienst daarop via een standaard brief met de belastingplicht voor de diverse belastingmiddelen, in het algemeen niet iets waar men zich op kan beroepen. De informatie die de Belastingdienst ter beschikking stelt bij zo’n aanmelding is meestal te summier om een goed oordeel te kunnen vellen. Maar wat als die informatie wel aan de Belastingdienst ter beschikking staat? Een dergelijk geval was aan de orde in de zaak die leidde tot de uitspraak van Rechtbank Noord Nederland van 26 februari 2019 (ECLI:NL:RBNNE:2019:718).

De stichting in deze zaak hield zich bezig met gesubsidieerde activiteiten. Zonder inhoudelijk op de zaak in te willen gaan, moge duidelijk zijn dat een dergelijke organisatie per definitie goed moet worden bekeken voor wat betreft het btwondernemerschap. Dat is bij gesubsidieerde activiteiten immers altijd een heikel punt. De accountant van de stichting meent dat de stichting een btw-ondernemer is en vraagt in september 2012 een btw-nummer aan, waarbij hij verzoekt om aangiften uit te reiken vanaf 2010. In de brief waarin hij dit verzoekt, beschrijft hij uitgebreid de feiten en dat hij van mening is dat er sprake is van een recht op aftrek van voorbelasting. De reactie van de Belastingdienst komt via een standaardbrief waarin de stichting is aangemerkt als btwondernemer. Blijkbaar zit het de accountant toch nog niet lekker, want hij besluit er nog een extra briefje aan te wagen, waarin hij stelt dat hij er van uitgaat dat de Belastingdienst zijn standpunt deelt omdat aangiften zijn uitgereikt, maar waarin hij toch vraagt om een expliciet akkoord van de Belastingdienst.

Dan wordt een inspecteur wakker, en leest de brief van de accountant blijkbaar nog eens goed. Hij komt tot de conclusie dat er toch geen sprake is van btw-ondernemerschap en laat dit in maart 2013 ook aan de stichting weten. De rechter is het dan wel inhoudelijk met de inspecteur eens, maar accepteert het beroep op het vertrouwensbeginsel van de stichting. Tot en met maart 2013 kan de inspecteur de op aangifte teruggegeven btw niet meer naheffen. De stichting had volgens de rechter inderdaad mogen aannemen dat de Belastingdienst zijn uitgebreide brief goed had gelezen alvorens aangiften uit te reiken en teruggaven te accepteren.

We kunnen dus concluderen dat – zolang er maar een goede en complete feitenbeschrijving wordt neergelegd – we ook mogen vertrouwen op een beslissing van de Belastingdienst in de vorm van het uitreiken van aangiften. Als deze uitspraak standhoudt, zou dat overigens wel invloed kunnen hebben op de werkwijze van de Belastingdienst en daardoor tot vertragingen kunnen leiden bij de afgifte van btw-nummers en aangiften.

 

Dit artikel is gepubliceerd in BTWUpdate 2019, nr. 3. Rick Franke maakt sinds de start van dit periodiek (begin 2015) deel uit van de vaste schrijversstaf.

BTW - een ingewikkelde belasting?


Voor veel mensen is de BTW één van de lastigste belastingen.
Franke BTW Specialisten helpt u de BTW problematiek in uw organisatie te begrijpen en in hanteerbare en controleerbare processen onder te brengen. Via advies, onderzoek, training, hulp bij implementatietrajecten en/of andere vormen van ondersteuning helpt Franke BTW Specialisten u uw BTW organisatie te optimaliseren!

Contact

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  +31 (0) 2 28 75 39 73
  +31 (0) 6 46 08 18 76
Nijenburg 21, 1613 LB Grootebroek